Politiek debat

Over valse tegenstellingen en ‘het’ versus ‘een’

Nee, niet iedereen wordt het eens tijdens het debat waarin vier stellingen worden besproken. Maar er wordt wel goed naar elkaar geluisterd. Zelfs zo goed, dat sommige mensen tijdens de discussies van mening veranderen in de digitale peiling voor en na de afzonderlijke debatten: “Ik heb de argumenten gehoord en ben verschoven naar ‘eens’.”

Het debat is het laatste programmaonderdeel van de dag en dus probeert dagvoorzitter Frénk van der Linden het zo interactief mogelijk te maken — er is immers weinig zo moeilijk als het wakker houden van een congrespubliek tijdens het laatste deel van de dag. En dat leidt soms tot pittig en wakkerhoudend debat.

Keuzes maken

Bijvoorbeeld als Sijas Akkerman, directeur Natuur en Milieufederatie Noord-Holland, zegt dat hij een beetje een ongerust gevoel krijgt over de discussie over de milieustelling ‘In sommige gebieden moeten we accepteren dat voldoen aan de Europese normen nu het maximaal haalbare is’. “We moeten naar de norm toewerken, het maximale nastreven, maar in gebieden waar de druk hoog is moeten we accepteren dat het niet haalbaar is”, zegt Adnan Tekin, panellid en gedeputeerde milieu. “We moeten niet dogmatisch achter normen aanlopen”, zegt Rob Ellermeijer, ook panellid en wethouder in de gemeente Amstelveen. Wat heb je aan dit soort afspraken als je je er niet aan houdt, vraagt Akkerman zich af. “We hebben afgesproken om te stoppen voor rood licht. Maar als we het hebben over geluidsoverlast lijken normen soms ineens fluïde te worden. Het komt neer op keuzes maken.”

De zaal is verdeeld en blijft dat ook. Van der Linden bevraagt een bezoeker die van mening veranderde: “Ik was eerst neutraal en ben nu ik de argumenten heb gehoord verschoven naar ‘eens’.”

Energie-infrastructuur

Ook over stelling 2: ‘Beschikbaarheid van energie-infrastructuur is het nieuwe leidende principe voor ruimtelijk economische ontwikkelingen ‘is de zaal verdeeld: 44 procent is het eens met deze stelling, 45 procent oneens.

Drie van de vier panelleden kunnen zich vinden in de stelling. “Als je dit niet doet gaan de maatschappelijke kosten oplopen”, zegt Masha van Vuuren van Alliander. “Kijk bijvoorbeeld naar de aansluitproblematiek rondom zonneparken. In sommige delen van het land kan het energienetwerk dit niet aan. De regie ligt bij regionale overheden, maar netbeheerders moeten ook op tijd betrokken worden bij plannen voor energie-infrastructuur.”

Nils Langedijk, wethouder in gemeente Langedijk en panellid is het niet eens met de stelling. “Je moet de opgave centraal stellen. Als je de energie-infrastructuur als leidend principe neemt ga je het niet redden. Dan ben je niet klimaatneutraal in 2050.”

In de zaal vindt hij instemming. Een deelnemer: “Eigenlijk vind ik het helemaal niet zo’n interessante discussie: als we ‘het’ naar ‘een’ veranderen zijn we het allemaal eens.”. De stelling — met daarin dus ‘het leidende principe’ — wordt nu ook door de rest van de zaal anders bekeken. Nog maar 18 procent is het ermee eens, 79 procent is het oneens.

Valse tegenstelling

“U lijkt wat geïrriteerd”, zegt gespreksleider Van der Linden nadat Egbert de Vries zijn pitch heeft gehouden over stelling 3: Binnenstedelijk bouwen is maatschappelijk gezien op lange termijn de goedkoopste optie. Panellid De Vries is directeur van de Amsterdamse Federatie voor Woningcorporaties. Van der Lindens observatie blijkt juist. “Ik vind dat er een valse tegenstelling wordt gecreëerd tussen binnenstedelijk en buitenstedelijk bouwen”, zegt De Vries. “We moeten gewoon beide doen. Die tegenstelling is simpelweg niet productief.”

Joke Geldhof is voorstander van de stelling. “Als je binnenstedelijk bouwt kun je wonen en werken bij elkaar brengen, zorg je voor betere bereikbaarheid, minder reistijd en kun je de energietransitie sneller en goedkoper realiseren. Wat niet wegneemt dat er ook altijd vraag zal zijn naar andere woonmilieus.”

In de zaal haalt iemand het burgerperspectief aan. “We voeren deze discussie al best lang. Wat ik dan steeds denk: wat zouden de mensen vinden die al zo lang op een woning wachten, die bij een ex blijven wonen omdat ze niets anders kunnen vinden, die naar een woning zonder trap moeten maar niets anders vinden.” Geldhof wil graag reageren. “Het is natuurlijk belangrijk wat die mensen vinden. En dat we daar woonruimte voor realiseren. Maar waar die woningen precies komen moet het bestuur bepalen.”

Geen afvalputje

De laatste stelling over ontwikkeling van het landelijk gebied blijkt een makkelijke. ‘Het landelijk gebied mag niet het afvalputje van de provincie worden. Houd het landelijk gebied vrij voor landbouw en vergroten natuur en biodiversiteit.’

Niemand van de aanwezigen vindt dat het landelijk gebied het afvalputje van de provincie mag worden. “Het landelijk gebied biedt gelegenheid aan ontwikkelingen in de landbouw en biedt ruimte voor woningbouw om zo de leefbaarheid in de kernen te vergroten”, zegt Jelle Beemsterboer, wethouder in Schagen. “We mogen wel wat trotser zijn op het landelijk gebied in het westen”, bevestigt Marco Kastelein van het Hoogheemraadschap Rijnland.

Mirjam Streefkerk
Voeg toe aan selectie